Het knotten is een manier om een boom in een gewenste vorm te houden. Het hoeft slechts eens in de drie tot vijf jaar te gebeuren. Andere extensieve en eveneens sterk ingrijpende werkwijzen zijn het kandelaberen en het toppen van bomen. Bij intensieve werkwijzen gaat het om bijvoorbeeld het knippen van heggen. Dat wordt meerdere keren per jaar uitgevoerd, waarbij alleen de buitenste laag van de begroeing wordt geschoren.
Snoeien of toppen
Beter resultaat door toepassing van reductiesnoei.
Bij professioneel werk wordt gesnoeid op knooppunten, de plek van de tak (of stam) waar een dunnere zijtak aanwezig is. Wordt op die plek de dikkere tak verwijderd, dan is sprake van reductiesnoei. Verwijdert men de dunnere tak, dan is sprake van verwijderingssnoei.
Laag niveau snoeiwerk waarbij het inkorten van takken en zelfs hele boomtoppen vrij willekeurig plaatsvindt en niet selectief op knopen staat bekend als "toppen".

Al bij de kweker opgekroond. Kroon moet minstens 60% van de hoogte zijn.
Het opkronen is een reguliere vorm van verwijderingssnoei bij laanbomen die nog in de groeifase zijn. Bij het opkronen verwijdert men periodiek de onderste zijtakken van de stam om in de toekomst ruimte vrij te houden voor de doorgang van het verkeer. De boom reageert daarop door verder de hoogte in te groeien. Dat gaat bij bomen zo ongeveer als bij een luchtballon: als je die op een plek inknijpt, bolt die op een andere plek verder uit.
Staan bomen dicht bij elkaar, zoals in een bos, dan is deze vorm van snoeiwerk niet nodig. De bomen groeien daar overwegend vertikaal, naar het licht toe. De onderste takken staan in de schaduw en krijgen niet de kans om zich aggressief (co-dominant) te ontwikkelen. Bij vrijstaande bomen ontwikkelt de kroon zich juist wel meer in de breedte. Moet er na verloop van tijd toch zo'n dikke, laag zittende tak verwijderd worden, dan is dat een probleem door de grote snoeiwond en de kans op houtrot. Door het tijdig uitvoeren van begeleidingssnoei probeer je deze problemen te voorkomen.

Breed uitstaande boom met een zwak ontwikkelde centrale spil, codominante takken en leeuwenstaarten. Daar kan je beter geen auto's onder parkeren.
Een minder goede vorm van begeleidingsssnoei is de praktijk om zijtakken te verwijderen van de gesteltakken (de hoofdtakken op de stam). Op die manier onstaan leeuwenstaarten. Deze snoeivorm is herkenbaar aan de lange, overwegend verticaal groeiende takken met alleen op het uiteinde wat blad die makkelijk uit kunen breken tijdens een storm.
Lees meer over het juist uitvoeren van de verschillende snoeitechnieken: "Arborist News (jaargang 28, nummer, 6 december 2019) onder de titel Pruning Cuts; best management practices." Dit artikel is in het Nederlands vertaald te downloaden via de WUR (Wageningen Universiteit & Research), via DEZE LINK.
Bij het toppen wordt in de regel dik hout gezaagd, met als gevolg kans op houtrot in de snoeiwond. Op de beschadigde plek zal vrij snel een wirwar van twijgen gaan groeien. Dit is het beginstadium van het uiteindelijke herstel van de boom.
Beperkt men het toppen tot de dunnere takken (kan nodig zijn bij zeer jonge bomen in de boomkwekerij) dan is de schade minder groot omdat die takken jong zijn en geen kernhout, maar alleen 'levend' spinthout bevatten. De snoeiwond wordt in dat geval snel afgesloten door nieuw gevormd wondhout (callus) voordat schimmels kans zien het hout aan te tasten.
Getopte bomen zijn te herkennen aan hun onnatuurlijk aandoende vorm: een kroon met daarin meerdere verticaal groeiende takken, vrijwel even hoog, die vanuit één punt lijken te groeien, namelijk vanuit de plekken waar in het verleden gezaagd is (codominante takken).

Let op de kroon met meerdere verticaal lopende takken, die vanuit één punt lijken te komen. Deze boom is in het verleden teruggezet (getopt) en daarna weer uitgegroeid. De zware takken kunnen op den duur uitbreken. Zie bijvoorbeeld de linker tak, die heeft oorspronkelijk ook verticaal gestaan. Die tak is nu opzij gezakt waardoor een opening in de kroon zichtbaar is, dus gevaar van afbreken. In het verleden afgezette bomen kan je beter niet te groot laten worden!
Wil je een min of meer natuurlijk gevormde kroon in de boom (één centrale spil met dunne zijtakken), dan moet je in de jaren na de ingreep meerdere keren terugkomen om te dunnen (1/3 deel van de nieuw gevormde twijgen verwijderen, 1/3 deel inkorten en de meest geschikte takken laten doorgroeien. De meest geschikte takken zijn in dit geval de wat dikkere takken. De wat dunnere mogen juist verwijderd worden.)
In hoeverre de boom zich herstelt, hangt af van de soort boom, de leeftijd en van de algehele conditie waarin de boom zich bevindt. Jonge bomen herstellen zich sneller dan oudere, omdat de groei bij een jonge boom beter is. Door het verkeerd snoeien van dikke takken kan de algehele conditie snel teruglopen. Een deel van de energie die de boom nodig heeft om te herstellen zit in het kernhout opgeslagen. Wanneer dat hout door schimmels wordt aangetast gaat die energie verloren. Bij een oudere boom is het verstandig hoogstens wat dood hout weg te halen en voor de rest zo weinig mogelijk te doen. Dit staat bekend als onderhoudssnoei.
Meestal wordt na het toppen de boom een aantal jaren later weer 'netjes' gemaakt door die operatie opnieuw uit te voeren. Dat heeft als gevolg dat de boom opnieuw in de stress raakt en reageert door de aanmaak van nieuwe loten. Hoveniers die hiermee bezig zijn rekenen op een vervolgafspraak, voor over een paar jaar. Beetje vergelijkbaar met een kapper die na het knippen de klant graag weer terug ziet komen!

Kandelaberen
Bij het kandelaberen worden de hoofdtakken sterk gekort. Als het goed wordt uitgevoerd, in een trap-vorm. Dit gebeurt o.a. bij de leilinde en de treurwilg, soorten die daartegen bestand zijn. Had vroeger nut als zonnescherm bij boerderijen. Dit is een formele snoeivorm, doet vrij onnatuurlijk aan.
Knotten
Het knotten is als snoeivorm ontwikkeld vanuit de landbouw omdat het vee de jonge loten op de knot niet kan afgrazen. Die jonge loten zijn soepel genoeg om er manden mee te kunnen vlechten. In het agrarische landschap specifiek voor de knotwilg. Dat is een wilg waarin zich een knot heeft gevormd. Deze knot ontwikkelt zich alleen op een boom die daarvoor speciaal is aangeplant en die regelmatig wordt onderhouden. Bij het knotten worden alleen jonge, vitale takken gezaagd en is er voor de boom weinig kans op schade. Oudere, natuurlijk gegroeide bomen kunnen niet omgevormd worden tot knotwilg. Het toppen wordt als snoeivorm afgeraden.